woensdag 16 maart 2011

Martin Bril


Ik kom graag in de provincie Groningen, maar ik moet dat altijd maar weer uitleggen aan mensen die er niet graag komen, of sterker: er nooit zijn geweest. En iedere keer als ik het dan uitleg, kom ik in de problemen – want wat is het nou precies dat mij zo trekt?
Ik denk: de leegte.

Dit zeg ik niet, hoewel het me past als een jas, dit schrijft Martin Bril in zijn laatste boek Jongensjaren.
Ik was gisteren in V&D, zag dit boek liggen, open het op bladzijde 11, hoofdstuk Het Hoge Land en lees die zin.
Onmiddelijk besluit ik het boek te kopen, dwars tegen alle afspraken met mezelf in, dat ik voorlopig geen boeken meer koop. Het is net als een stukje chocola, niet te weerstaan.

Ik kocht veel te veel boeken, ik kan geen boekwinkel inlopen zonder iets te kopen. Maar boeken zijn duur en de boekenkast is vol. Ik nam me voor alleen een boek er in als er een boek uit gaat. Dat ging een tijdje goed, ik verkocht via Boekwinkeltjes.nl en Marktplaats boeken die ik graag kwijt wou, het leverde totaal wel zo’n honderd euro op. Maar nu kan ik van de meeste boeken die ik heb geen afstand doen.
Ook mag ik van mezelf geen nieuwe boeken kopen, behalve als ik boekenbonnen heb. Ik kijk altijd wel eerst op de genoemde sites, en heb al vaak voor een paar euro gevonden wat ik zocht.

Met dit boek van Martin Bril, is het net als met die reep chocola, ik wil ik er heel lang mee doen, dus lees ik het niet in een keer uit, zoals ik voorheen meestal deed: Ik had een nieuw boek, bij mooi weer ging ik op een bank in de tuin bij de kerk hier zitten, anders thuis op de bank en las en las en vergat de hele wereld om me heen.
Dit verhaal gaat over zijn jeugd, over zijn oom Albert, de broer van zijn grootvader. Het is zo prachtig geschreven, ik zou het wel helemaal hier neer willen zetten, maar dat mag/hoort niet.
Nog een stukje:

Ik vertel dit omdat een landschap in een mens gaat zitten. Oom Albert wás het noorden van Groningen: de terpdorpen, de stompe, korte kerktorens, de lange smalle wegen, de horizon aan het einde van vers geploegde akkers, het meanderende water van het Reitdiep, de spoordijk waarover de oude diesel op en neer naar Roodeschool ging, de meeuwen achter een ploegende trekker, de wind, de eenzaamheid, de vette klei, de stugge gereformeerdheid, het harde werken – oom Albert had het allemaal in zich.

Het zijn drie dingen die me raken, het verhaal zelf, de beschrijvingen in de tekst die ik gelijk voor me zie, omdat ik daar ook was èn het feit dat Martin Bril dit schreef toen hij al ziek was.
In dit verhaal schiet je in de lach en krijg je een brok in je keel.

Aan de overkant lagen nog een paar gehuchten met prachtige kerkhoven. De bijbehorende kerken staken met hun korte torens pront af tegen de hemeltergend blauwe lucht. Het was ijskoud, maar ik was thuis. Op de oude dodenakker van Wittewierum werd ik begroet door kraaien, en onwillekeurig vroeg ik me af hoe koud het in de grond zou zijn, in de grond waar doden zijn die dit landschap met zich hebben meegedragen tot ze er weer deel van gingen uitmaken. Het zal er warmer zijn, denk ik, want hoe leeg het landschap ook is, het is nooit onherbergzaam, nee, het is open.

Martin Bril stierf in april 2009.

Wittewierum, 29 januari 2011 (zie blogarchief)

dinsdag 15 maart 2011

zaterdag 12 maart 2011

Gezelschapsdame

Ik werk al jaren in verschillende verpleeg-verzorgingshuizen als activiteitenbegeleider, vooral met dementerende ouderen.
Ook nu werk ik in een zorgcentrum bij de afdeling Welzijn, daarnaast nog als invalkracht in een ander zorgcentrum. Ik werk graag met oude mensen, want hoewel er veel verdriet is, kunnen de mensen ook zo ongelofelijk leuk zijn.


Daarnaast werk ik via een zorgmakelaar ook nog als ‘gezelschapsdame met specialiteit geheugenproblematiek’ een hele mond vol maar, wat ik regelmatig merk, een jaloersmakend baantje!
Daarover wil ik hier nu wat vertellen.

Een dag in de week ga ik naar een oude dame die in een zorgcentrum woont.
Ze heeft het niet zo naar haar zin daar en de familie wil graag dat ik haar mee uit neem. Ik zal haar hier Mw. X noemen.


Mw. X is een krasse, sportieve dame van 86 jaar, en dementerend.
Ik ga nu al een klein jaar wekelijks met haar op stap en we zijn erg gesteld op elkaar geraakt. Ik begin om 10.00 uur en afhankelijk van waar de reis naar toe gaat zijn we om ongeveer 15.00 uur terug.



Zij houdt niet zo van het eten daar in huis, Hollandse pot, dus gaan we altijd lekker lunchen. Zij is wel Nederlandse, maar heeft vroeger in Indië gewoond en vind dat de groente hier te lang gekookt wordt. Ze houdt ook niet zo van brood en aardappels. Gerookte zalm is favoriet, dus dat nemen we ook regelmatig, we hebben een beetje dezelfde smaak. Soms nemen we een wijntje erbij.


Ze weet inmiddels dat ik elke donderdag kom en staat al vroeg op me te wachten. Ze is zo blij me te zien en vrolijk om me heen dartelend is haar eerste vraag meestal: wat gaan we doen, waar gaan we naar toe? We reizen met bus of tram en soms met een regiotaxi.


Nu in de wintertijd gaan we naar een museum (we hebben er al vele gehad), soms een winkelcentrum, maar de maaltijd is het hoogtepunt van de dag.
Mw. X is een mooiweer mens en zodra de temperatuur weer stijgt zitten we het liefst op terrasjes, voor koffie en lunch, van Den Briel tot Scheveningen.
We hebben altijd veel lol met elkaar, en je hebt niet meer in de gaten dat ze dementerend is. Dat is me al vaak opgevallen, ook op m’n andere werk, als je mensen mee naar buiten neemt, bloeien ze helemaal op.

Van al onze uitstapjes maak ik een verslagje met foto’s erbij, voor haar en de familie. Ze is zo trots op haar map en laat het aan iedereen zien.
Inmiddels zitten er al bijna 50 verslagjes in, het is echt een boek vol vrolijke momenten geworden (Je begrijpt wel dat ik ons op de foto’s hier even ‘onthoofd’ heb).


Een keer naar Rotterdam, het was het erg koud, dus maar een korte wandeling en dan gauw de Bijenkorf in. Als we op de parfumerie-afdeling binnenkomen, spuiten we eerst wat Chanel 5 op, ons beider favoriet, en proesten om de zure gezichten van de verkoopsters daar. Dan gaan we hoedjes passen en ik neem foto’s van ons zelf voor de spiegel. Tijd voor koffie met een gebakje. Daarna op de meubelafdeling doen we net of we een bank gaan kopen. We proberen uit hoe ze zitten: nemen we een rode of een groene? Dat je daar zo vrolijk van kan worden! Ze heeft ook een ongelofelijk gevoel voor humor, bij die grote banken zegt ze: dat past bij mij niet, ik woon in een hok!
Bij de kleding trekt mw. X. vooral glitterjurken uit het rek en zegt: Is dit wat voor je? Tijd voor de lunch, groot bord met salade en zalm, daar gaan we allebei voor! Er is niet veel nodig om iemand een fantastische ochtend te geven!


Maar toch, ze is broos. Ze heeft twee weken geleden een kleine TIA gehad, is er wel weer bovenop gekomen, maar het kan een voorteken zijn ….
Toen ik afgelopen donderdag bij het huis aankwam en naar boven keek zag ik dat haar vitrage dicht was, dat was vreemd en ongerust ging ik naar boven.Toen ik op de afdeling de gang inliep kwam ze me niet tegemoet.
In haar kamer zat ze in haar draaifauteuit naar het raam, met haar rug naar me toe. Ze reageerde niet op mijn stem, ik draaide haar naar me toe, ze was apathisch, sprak wartaal en zag dingen die er niet waren. Ik ging een zuster halen. Bloeddruk meten, urine nakijken, de arts zou over een half uur komen (dat werd anderhalf uur). Ik bleef bij haar en hield haar handen vast. Heel langzaam zag ik haar ogen weer wat helderder worden. Na zo’n twee uur werd ze weer een beetje de oude. De arts kwam, luisterde naar hart en longen en gaf aan dat er met een medicijn gestopt zal worden. Ik heb er geen verstand van maar ik begreep dat dit soms door dit medicijn veroorzaakt kan worden.

Ik nam haar mee naar buiten, het was wel koud, maar goed aangekleed toch even een frisse neus halen. Het deed ons allebei goed. We gingen maar in het restaurant van het zorgcentrum eten. Het hoogtepunt van de dag: het donderdagmenu, erger hadden we het niet kunnen treffen. Het voorgerecht: zoute koninginnesoep die vooral naar meel smaakte. Er werd gevraagd of men het hoofdgerecht voor ons zou halen, ik zei we gaan zelf wel even kijken, dat vond men fijn, want het was veel werk al die bordjes vol scheppen en serveren. Ik werk zelf in zorgcentra, ik weet hoe het gaat.
Het hoofdgerecht: keuze uit rundvlees of kip, gekookte aardappels of puree en de groente keus uit hete bliksem of postelein.
De hete bliksem was wel lekker, maar dat is toch geen groente? Mogen we daar wat postelein bij? Degeen die opschepte zei: dat zijn dan twee groentes bij elkaar. Ik zei maar hete bliksem bestaat toch voornamelijk uit aardappel, daar hoeft toch niet nog eens aardappels of puree bij. Ik keek hem vragend aan, je zag hem denken: lastig die mensen, maar hij ging overstag. Is er ook rauwkost? Nee, dat is op woensdag. O.
Graag het rundvlees erbij, sorry … dat is op, nou dan dus de kip. Het zat in dezelfde jus, dus proefde je waarschijnlijk toch geen verschil.
Tja … postelein, ik keek naar de groene smurrie, proefde en zat met een klap terug in mijn jeugd. Mijn moeder kookte het toen ook al tot snot, en in de instellingskeuken nu dus ook nog. Ouderen willen dat zo, dat zijn ze gewend, ja, ja.
Behalve dat het totaal dood gekookt was, leek de smaak nog het meeste op modder en zo rook het ook.
Ik keek naar Mw. X en zag dat ze het met berusting langzaam opat. Ach lieve schat, ik hoop echt dat ik volgende week weer lekker zalm met je kan gaan eten!


vrijdag 11 maart 2011

Masterchef


Vanavond kijk ik weer naar Masterchef. Meestal hou ik er niet van om iets langlopends te volgen, maar hier ga ik echt voor zitten. In het begin heb ik wat afleveringen van de Nederlandse masterchef bekeken, maar daar haakte ik al snel af. Het kwam gewoon niet in de buurt van de Engelse versies.

Masterchef Australië heb ik tot nu toe helemaal gevolgd, mensenlief wat een spanning soms. Ik vond het honderd keer spannender dan de meeste detectives. Soms kon ik gewoon niet blijven zitten en moest even rondlopen.
Wat heb ik meegeleefd met de deelnemers, maar vooral met Callum, student van 20 jaar, om op te vreten zo’n ventje! Met z’n zenuwtikje knipperoogjes, en als het toch goed was brak er zo’n ontwapenende lach door op dat smoeltje!

Hoewel het vorig jaar al op de BBC uitgezonden is vermeed ik te googelen, ik wilde niet dat iemand ook maar verklapte wie er gewonnen had.
Ik gun het ze wel allebei, maar ik gok toch op Adam omdat hij wat ouder is en een carrièreswitch moet maken: advocaat of kok. Callum is nog zo jong, die krijgt heus z’n eigen restaurant nog wel.

donderdag 10 maart 2011

Spreeuwen

Misschien heb je het al gezien, een filmpje van de spectaculaire spreeuwenvlucht boven Utrecht? Het is trouwens verstandiger dit op film te bekijken dan in het echt, want om poep van 60.000-70.000 spreeuwen te vermijden moet je een grote plu bij je hebben!

dinsdag 8 maart 2011

Dinsdag Dicht (8) Internationale Vrouwendag


Vliegen valt niet te leren.
Je kunt het of je kunt het niet.
Alle vrouwen kunnen het.
Ze zijn het soms vergeten.
Vliegen is de weidse bandeloosheid van verlangen, loskomen op eigen kracht. 


Fragment uit het gedicht Vleugelslag van Lut de Block (België)

zondag 6 maart 2011

Suikerbrood



Zondagmorgen … de enige ochtend dat er tijd is om samen lekker uitgebreid te ontbijten.
Met het suikerbrood dat ik gisteren bij Levine gebakken heb. Ik heb het nog nooit gegeten, het leek mij niks, ik had een voorstelling van een plakkerig klef iets. Maar mijn eigengebakken suikerbrood moet ik natuurlijk wel proeven. Hoewel ik niet zo’n zoetekauw ben smaakt het heerlijk, met boter en eigengemaakte Reine Claudejam. Man vindt het lekker met kaas én jam.

Op Wikipedia vond ik nog deze informatie: Fryske Sûkerbôle
In Friesland werd het brood cadeau gegeven aan moeders die een meisje hebben gekregen. (Een krentencake bij een jongetje).

vrijdag 4 maart 2011

Toiletspin



Last van arachnofobia? Dan gauw wegklikken!
Ik ben niet echt bang voor insecten en aanverwant gespuis, hoewel door een wespesteek zwel ik zo enorm op, dat ik ze liever voor ben en ze al gelijk doodmep voordat ze me kunnen steken. Muggen vind ik irritant en vliegen smerig, die worden ook nog wel naar de andere wereld geholpen. Mieren haat ik.
Een keer tijdens een wandeling langs bomen, waar hele lange slierten met spinselrupsen aan zaten, waaide (woei) er zo’n sliert tegen me aan. Dan ben ik wel in alle staten, sla als een gek om me heen, ga krijsen, zodat ze ook nog in m’n mond komen. Horror!!

Maar sinds ik me meer in de kriebelbeestjes verdiep, heb ik er nog maar zelden een vermoord.
Voor spinnen ben ik nooit bang geweest, ik heb juist bewondering voor ze, maar aanraken gaat me nou ook weer te ver. In huis vang ik ze met een bekertje en zet ze dan op een plant buiten op het dakterras. Ik vind het leuk om een miertje in het web te gooien en dan kijken hoe de spin er direct naar toe gaat en er razendsnel een pakketje van rolt.

Maar toen ik deze spin ontdekte, onder de toiletrand, moest ik wel even slikken.
Wat doet hij (zij) daar? Is hij al lang in huis? En waar heeft tie zich dan al die tijd verstopt? Of toch net binnengekomen door het raam in de badkamer? In de winter? Hoe haal ik hem daar weg? Ik swiepte hem koelbloedig met de achterkant van de tandenborstel in een bekertje, maar niet voordat ik hem op de foto had gezet en liet hem toen vrij. Kijk, dat doet Mijn Architect me toch niet na!




donderdag 3 maart 2011

Dag na de verkiezingen


Ik heb Zoon gisteren nog achter z’n broek gezeten, aan ons heeft het niet gelegen, het hele gezin (3) heeft gestemd.
Tja, helaas veel PVV hier in Zuid-Holland, wel meer dan in Groningen.
Ik las net in Vrij Nederland van 17 februari een leuk interview met Phillippe Remarque en Silvia Witteman. Zij zegt daarin over het symptoom Wilders: ‘Hij is natuurlijik wel behoorlijk gek, uiteindelijk gaat geen zinnig mens op zo iemand stemmen … Nou ja, er zijn natuurlijk heel veel niet-zinnige mensen.’

dinsdag 1 maart 2011

Dinsdag Dicht (7)

Egmond, augustus 2009

maandag 28 februari 2011

Laat het mottenballen regenen op twee maart …

Op mijn blog maak ik graag een keer ruimte voor dit pleidooi van Nico de Haan:


“Er zitten drie motten, in onze nieuwe jas, en die drie motten die zitten er nog maar pas!”

Ooit was de aarde “woest en ledig” maar in de loop van miljoenen jaren werd de aarde ingepakt in een “warme jas” die er voor zorgde dat mens en dier in harmonie met elkaar konden leven. De een noemt dat de schepping, de ander de natuur, maar een feit is dat we voor ons voortbestaan afhankelijk zijn van de kwaliteit van die warme jas die onze aardbol omgeeft. Eeuwenlang hoefden we niet zuinig te zijn op die warme jas, we waren er gewoon een onderdeel van. Maar ruim honderd jaar geleden ging het mis. We hebben toen van alles uitgevonden waarmee we de jas te lijf zijn gegaan. De kleurrijke jas bestond uit bos, heide, hoogveen en moeras en daar wisten we wel weg mee. Met grote machines hebben we deze “woeste grond” omgevormd tot polders en akkers. Daarna hebben we de struiken en bomen in die gebieden opgeruimd, de gebieden verkaveld en hier en daar hebben we zelfs gifgaten in de jas gebrand. Omdat we ons, net als de dieren, willen verplaatsen hebben we ook nog heel veel brede en smalle wegen gemaakt en eind zestiger jaren was de prachtige jas bijna helemaal versnipperd en verknipt Heel veel vogel- en diersoorten verdwenen in hoog tempo en Nederland werd steeds lelijker.

Daar kregen we spijt van, de Club van Rome waarschuwde ons, we riepen 1970 uit tot het natuurbeschermingjaar N70 en zijn aan de slag gegaan.  Een groot deel van ons volk werd lid van een natuurbeschermingsorganisatie en kort daarna bedachten we een groot herstelplan om zo veel mogelijk van die gaten in de jas te dichten. Dat noemden we heel deftig de Ecologische Hoofd Structuur, maar het was dus gewoon een poging om die bijzondere jas weer een beetje draagbaar te maken. Het eigenlijke reparatiewerk werd gedelegeerd aan twaalf kleermakers, de twaalf provincies. Die hebben zich vervolgens echt “uit de naad gewerkt” en al hele grote stukken van de jas gerepareerd.

De jas was bijna klaar en nu is er iets vreselijks gebeurd. Plotseling zit de mot in onze gloednieuwe jas en dat komt zo. Drie motten kropen uit een Haagse klerenkast en maakten een plan. Ze likten hun vingers nog eens lekker af, zo goed vinden ze hun plan en vervolgens begonnen ze als hongerige motten aan de jas te vreten. Dat ze geld tekort hadden kwam ze goed uit, eindelijk konden ze nu eens lekker hun tanden zetten in die gloednieuwe jas die de vorige kleermakers al bijna af hadden gemaakt.

Terwijl de kleermakers nog bezig waren de mouwen er aan te zetten, knipten zij de mouwen er al weer af. Bovendien hebben ze de Staatsstomerij zo heftig gekort, dat die de jas niet meer kan onderhouden. Overal worden er nu hoeken afgeknipt en er vallen er in hoog tempo gaten in de jas. De mot zit er goed in en u weet hoe dat is met motten, ze blijven net zo lang dooreten tot de jas op is.

Dus als straks uw hand met het rode potlood boven het stembiljet zweeft maak dan niet die rondjes rood die er voor zorgen dat onze prachtige jas nog verder wordt opgegeten door de motten. Laat het mottenballen regenen, steun de kleermakers en zorg ervoor voor dat die kleermakers hun werk kunnen afmaken.

Nico de Haan.

Provinciale Staten kiezen (2)

Pé en Rinus - Even Stemmen 



woensdag 23 februari 2011

Merel


Als ik aan het afgelopen weekend denk, onze vogelexcuries met Nico de Haan in Groningen, is het net of we in plaats van drie dagen wel meer dan een week zijn weggeweest. Dat is altijd een prettige bijkomstigheid van korte uitstapjes. In het verleden gingen we twee weken naar Griekenland, later drie en uiteindelijk zijn we daar jaren achtereen vier weken per jaar naar toe gegaan. Ik vond de reis zo’n gedoe, dat vliegen enzo, dat je er maar beter lang kunt blijven. Voor een weekje zou ik er geen zin in hebben.
Het rare is dat het niet meer uitmaakte of je nou drie of vier weken weg was.
Alleen de eerste week ging nog wat langzamer om, de tweede en derde al veel sneller en de laatste was al voorbij voordat je er erg in had.

Wat blijkt: Hoe korter je weg was, hoe langer het leek … en hoe langer je weg was, hoe korter het leek.
Om meer te genieten moet je dus vaker korter weggaan!
Omdat het zo’n fijn weekend was schieten allerlei momenten telkens weer in m’n gedachten, zodat het nog langer doorwerkt.

Terwijl ik aan de eettafel zo zit te mijmeren, nog eens naar de lijst met vogels kijk en bedenk dat ik nog nooit van de frater had gehoord, zit er een merel op ons dakterras. Hij zit bewegingsloos richting raam te kijken. Ik kijk terug door mijn verrekijker (hiervoor is die prima geschikt). Wat hebben die merelmannen toch een bijzondere blik, door die ring om het oog. Wat zit hij stil zeg … er is toch niks met hem?
Ik stap naar buiten en loop wat te rommelen op het dakterras. Hij blijft gewoon zitten, volgt wel al mijn bewegingen.

Het ziet er naar uit dat ook hij wat aan het mijmeren is:
Nog even rust, binnenkort begint dat gedonderjaag weer, dan moet er weer van alles, baltsen … territorium afbaken … tweemaal daags concerten geven ... het alarm moet regelmatig afgaan ‘tsjink-tsjink-tsjink of tsjak-tsjak-tsjak’ … jongen voeren … zucht, je wordt al moe als je er aan denkt.
Maar nu: Genieten we samen nog even van dit moment dat er niks moet.




dinsdag 22 februari 2011

Dinsdag Dicht (6)

Ede Staal (Warffum, 2 augustus 1941 - Delfzijl, 22 juli 1986)
Winterexcursie Nieuw Statenzijl, 20 februari 2010

zondag 20 februari 2011

Vogelexcursie, dag 3

Na weer een fantastisch ontbijt en een lunchpakketje maken is het (helaas) tijd om Hotel het klooster te verlaten. Ik had hier wel een weekje willen blijven! Het is vandaag erg koud, met een striemende wind, maar de lucht is blauw en de zon schijnt.
We zitten weer bij F&N in de auto, hij is een goede chauffeur en we rijden van Kloosterburen naar Nieuw Statenzijl in het uiterste noordoosten, tegen de Duitse grens. Wij zijn er al vaker geweest, het voelt als ‘ons plekje’.
We lopen over vlonders naar de Kiekkaaste, een buitendijkse vogelkijkhut op palen, met zicht op de kwelders en slikken van de Dollard.
Via een wenteltrap kom je boven. Je gaat op een bankje zitten en maakt de luikjes open om naar de vogels te kijken en je kijkt uit over een wonderschoon gebied. Hier is het echt stil. Natuurlijk is het een groot verschil of je hier met z’n twintigen bent, of met z’n tweetjes, maar het blijft een geweldige ervaring.





Daarna rijden we, met nog wat stops hier en daar, naar de Reidehoeve, een bezoekerscentrum van het Groninger Landschap in Termunten.
We eten hier ons lunchpakketje en bekijken nog een filmpje over de vogels in het Dollardgebied.

Dan gaan we over dijk. Het is niet de kou die je de adem beneemt, maar de schoonheid van dit gebied. Ik vergeet regelmatig vogels te kijken, ik maak me los van de groep en geniet in m’n eentje.

Als je toch eens hier in de buurt zou wonen!







Ik geniet van het buitenzijn en van het deel uit maken van een groep, die niet dwingend is, de flarden gesprekken die ik opvang, over vogels, over natuurgebieden, over ‘linkse hobbies’ (?) tot er uit de groep het verzoek komt om terug te gaan. Het loopt tegen drie uur, aan de tred van Nico te zien zou hij nog uren door kunnen gaan, maar sommigen moeten nog zeker drie uur naar huis rijden.
We nemen in de Reidehoeve nog een kopje koffie, en werken onze lijst met vogels bij. Ik geloof dat we aan de 73 soorten zijn gekomen.

We nemen afscheid van F&N, halen onze bagage uit hun auto en zetten deze bij Nico in de auto, hij is zo vriendelijk om ons bij station Groningen af te zetten.

Daar aangekomen nemen we afscheid van hem en laten weten dat we heel graag nog eens mee gaan.

Nu willen we het weekend nog een beetje rekken en gaan weer naar de plek waar we begonnen, Huis de BeursEr zit aan een tafeltje achter ons een schattige jonge boxer, Nelsen, leuk om naar te kijken. We eten hier goed, nemen nog een toetje. Er is hier ook livemuziek, jazzy, maar niet vervelend.

Daarna hebben we nog even tijd voordat onze trein vertrekt en drinken koffie bij Café Marleen, maar we kunnen helaas niet blijven voor het optreden.
Want het is echt de hoogste tijd, morgen weer terug naar de waan van de dag.